Vermoeden van frauduleus faillissement: wat kunt u als leverancier doen?
Een faillissement kan voor leveranciers aanzienlijke financiële gevolgen hebben, in het bijzonder wanneer omvangrijke handelsvorderingen onbetaald blijven. In bepaalde omstandigheden rijst bovendien de vraag of het faillissement uitsluitend het gevolg is van financiële moeilijkheden, dan wel of bepaalde handelingen voorafgaand aan het faillissement mogelijk hebben geleid tot een benadeling van schuldeisers.
Dat kan onder meer het geval zijn wanneer een onderneming kort vóór haar faillissement aanzienlijke bestellingen plaatst zonder redelijk vooruitzicht op betaling, bedrijfsactiva overdraagt aan een andere vennootschap of haar activiteiten via een nieuwe entiteit voortzet, terwijl de bestaande schulden in de oorspronkelijke vennootschap achterblijven. Dergelijke omstandigheden kunnen aanleiding geven tot nader juridisch onderzoek. Ze vormen op zichzelf evenwel geen sluitend bewijs van fraude, onrechtmatig bestuur of persoonlijke aansprakelijkheid. De juridische beoordeling vereist een analyse van de concrete feiten, de betrokken transacties, de beschikbare bewijsstukken en de toepasselijke wettelijke bepalingen. Het Belgische recht biedt leveranciers verschillende mogelijkheden om hun rechten te vrijwaren, verdachte handelingen te laten onderzoeken en, indien aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, aansprakelijkheidsvorderingen in te stellen.
Vrijwaring van de rechten van de schuldeiser
De eerste stap bestaat erin de eigen rechtspositie binnen de faillissementsprocedure veilig te stellen. Een onderzoek naar mogelijke onregelmatigheden mag niet tot gevolg hebben dat belangrijke procedurele termijnen worden overschreden.
Aangifte van de schuldvordering via RegSol
Een leverancier moet zijn openstaande schuldvordering elektronisch aangeven via het Centraal Register Solvabiliteit (RegSol), met inachtneming van de termijn die in het faillissementsvonnis is vastgesteld. Alleszins moet dit gebeuren binnen het jaar na het vonnis van faillietverklaring. De aangifte moet voldoende duidelijk de oorsprong en het bedrag van de vordering vermelden en worden gestaafd met relevante bewijsstukken zoals openstaande facturen en rekeningoverzichten, bestelbonnen en overeenkomsten, leveringsbewijzen en ontvangstbevestigingen, de betalingshistoriek, correspondentie en eventuele zekerheden, voorrechten of contractuele eigendomsvoorbehouden.
Eigendomsvoorbehoud en terugvordering van goederen
Wanneer geleverde goederen onbetaald zijn gebleven en nog bij de gefailleerde aanwezig zijn, moet worden onderzocht of de leverancier zich op een geldig eigendomsvoorbehoud kan beroepen. Een aanspraak tot terugvordering op grond van een eigendomsvoorbehoud moet worden uitgeoefend vóór de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen (art. XX.194 WER). In de praktijk is dat doorgaans 35 à 60 dagen na het faillissementsvonnis. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat deze vervaltermijn grondwettig is (GwH 15 mei 2025, nr. 80/2025).
Onderzoek naar verdachte transacties vóór het faillissement
Bepaalde rechtshandelingen die vóór een faillissement werden gesteld, kunnen onder de wettelijke voorwaarden worden aangevochten wanneer zij de gezamenlijke schuldeisers benadelen. Een belangrijk aandachtspunt is de zogenoemde verdachte periode: deze loopt van de datum van staking van betaling die de rechtbank vaststelt, tot het faillissementsvonnis. Die datum kan in de regel maximaal zes maanden vóór het vonnis liggen. Bepaalde handelingen kunnen niet-tegenwerpelijk zijn aan de faillissementsboedel. Ze hebben dan ten aanzien van de schuldeisers geen uitwerking.
De betwistbare handelingen kunnen worden onderverdeeld in drie categorieën:
Verplichte niet-tegenwerpelijkheid als de handeling in de verdachte periode plaatsvond (art. XX.111 WER): handelingen om niet of aanzienlijk onevenwichtige handelingen, betaling van niet-vervallen schulden, betaling van vervallen schulden anders dan in geld of handelspapier, en zekerheden voor eerder aangegane schulden.
Facultatieve niet-tegenwerpelijkheid (art. XX.112 WER): andere betalingen en handelingen onder bezwarende titel, als de tegenpartij de staking van betaling kende.
Bedrieglijke benadeling van de schuldeisers (art. XX.114 WER), ongeacht de datum van de handeling.
De curator speelt hierbij een centrale rol: alleen hij kan de niet-tegenwerpelijkheid inroepen, een individuele schuldeiser niet. Hij onderzoekt de financiële toestand en de transacties van de gefailleerde en beoordeelt welke juridische stappen in het belang van de faillissementsboedel aangewezen zijn.
Praktische aanpak voor de leverancier
Een leverancier die concrete aanwijzingen heeft van verdachte transacties, doet er goed aan de curator daarvan schriftelijk en zo nauwkeurig mogelijk op de hoogte te brengen. Vermeld daarbij, voor zover bekend, de datum en aard van de betrokken transactie, de identiteit van de betrokken vennootschappen en personen, de overgedragen goederen of andere bedrijfsactiva, de vermoedelijke waarde en de eventueel betaalde prijs. Belangrijk is ook dat alle beschikbare documenten en andere relevante bewijsstukken worden meegedeeld aan de curator. Een vermoeden volstaat niet om een transactie juridisch ongedaan te maken. De curator en, waar nodig, de bevoegde rechtbank moeten de feiten toetsen aan de toepasselijke wettelijke voorwaarden.
Mogelijke persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders
Het faillissement van een vennootschap brengt niet automatisch de persoonlijke aansprakelijkheid van haar bestuurders met zich mee. Daarvoor moet een specifieke wettelijke grondslag bestaan en moet aan de toepasselijke voorwaarden zijn voldaan.
Kennelijk grove fout (art. XX.225 WER)
Artikel XX.225 van het Wetboek van Economisch Recht voorziet onder bepaalde voorwaarden in de mogelijkheid om huidige of gewezen bestuurders en andere wettelijk bedoelde personen persoonlijk aansprakelijk te stellen wanneer een kennelijk grove fout heeft bijgedragen tot het faillissement. Mogelijke aandachtspunten zijn ernstige onregelmatigheden in het ondernemingsbeheer of handelingen waarbij activa op een wijze aan de onderneming worden onttrokken die juridisch als een kennelijk grove fout kan worden gekwalificeerd. Of de betrokken gedragingen aan deze wettelijke maatstaf beantwoorden, moet steeds worden beoordeeld op basis van de concrete omstandigheden en het beschikbare bewijs. De curator kan een dergelijke vordering instellen. Ook een individuele schuldeiser kan onder de wettelijke voorwaarden optreden.
Let op: deze aansprakelijkheid geldt niet voor bestuurders van kleine vennootschappen waarvan de gemiddelde omzet over de laatste drie boekjaren niet meer dan 620.000 EUR bedroeg en het balanstotaal aan het einde van het laatste boekjaar niet meer dan 370.000 EUR (art. XX.225, §2 WER). De bestuurder moet zelf aantonen dat die drempels niet overschreden zijn, en kan dat volgens het Hof van Cassatie enkel aan de hand van een regelmatige boekhouding (Cass. 1 juni 2023).
Een schuldeiser kan de vordering pas zelf instellen nadat hij de curator heeft aangemaand en de curator binnen een maand niet heeft gehandeld. De schuldeiser draagt dan wel de kosten en het risico van de procedure, terwijl de opbrengst naar de boedel gaat. Een belangrijk onderscheid betreft de bestemming van de eventuele opbrengst. De opbrengst van deze bijzondere aansprakelijkheidsvordering komt in beginsel ten goede aan de faillissementsboedel en wordt volgens de toepasselijke regels verdeeld. Een succesvolle vordering betekent bijgevolg niet automatisch dat de individuele leverancier zijn volledige openstaande factuur terugkrijgt.
Wrongful trading (art. XX.227 WER)
Ook artikel XX.227 WER kan relevant zijn wanneer bestuurders een onderneming hebben voortgezet terwijl zij wisten of behoorden te weten dat er kennelijk geen redelijk vooruitzicht meer bestond om een faillissement te vermijden of de onderneming te redden, en zij niet hebben gehandeld zoals van een normaal voorzichtig en zorgvuldig bestuurder mocht worden verwacht. Deze bijzondere vordering komt echter uitsluitend toe aan de curator. Een leverancier kan de curator wel wijzen op relevante feiten en documenten die aanleiding kunnen geven tot verder onderzoek.
Voortzetting van de activiteiten via een nieuwe vennootschap
Een bijzondere onderzoekssituatie ontstaat wanneer de activiteiten van een failliete onderneming grotendeels worden voortgezet via een nieuwe vennootschap, terwijl de schulden in de oorspronkelijke onderneming achterblijven. In bepaalde omstandigheden wordt een dergelijke constructie omschreven als een sterfhuisconstructie. Die benaming houdt op zichzelf evenwel geen juridische kwalificatie in. De oprichting van een nieuwe vennootschap of de voortzetting van gelijkaardige activiteiten is niet automatisch onrechtmatig. De beoordeling hangt af van de concrete transacties, de economische realiteit en de eventuele benadeling van schuldeisers.
Onderzoek naar de overdracht van activa en activiteiten
Relevant onderzoek kan betrekking hebben op de vraag of de oorspronkelijke onderneming:
Haar klantenbestand of lopende contracten heeft overgedragen.
Machines, voertuigen, voorraden of andere activa heeft verkocht tegen een opvallend lage prijs.
Haar handelsnaam, website, telefoonnummer of commerciële infrastructuur heeft overgedragen.
Personeel of operationele activiteiten naar de nieuwe onderneming heeft laten overstappen.
Geld of verkoopopbrengsten heeft uitgekeerd aan bestuurders of verbonden vennootschappen.
De curator kan onderzoeken of bepaalde overdrachten op grond van het faillissementsrecht aanvechtbaar zijn. Afhankelijk van de feiten en de toepasselijke voorwaarden kan ook een andere rechtsgrond, zoals de actio pauliana, relevant zijn. Het juridische doel is niet om de rechtmatigheid van de nieuwe onderneming zonder meer in twijfel te trekken, maar om te onderzoeken of activa of economische waarde op een juridisch aanvechtbare wijze aan het bereik van de schuldeisers zijn onttrokken.
Een rechtstreekse vordering tegen de nieuwe vennootschap of een derde
In bepaalde omstandigheden kan ook een rechtstreekse vordering tegen de nieuwe vennootschap of een andere betrokken derde worden onderzocht. Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer concrete aanwijzingen bestaan dat een derde bewust heeft meegewerkt aan een onrechtmatige benadeling van schuldeisers of zelf een juridisch relevante fout heeft begaan.
Afhankelijk van de feiten en de toepasselijke wettelijke voorwaarden kan worden onderzocht of er grond bestaat voor:
Het aanvechten van een onrechtmatige overdracht.
De teruggave van bepaalde activa of de terugbetaling van onrechtmatig ontvangen bedragen.
Een schadevergoedingsvordering wegens een eigen buitencontractuele fout van een derde.
Voorlopige bewarende maatregelen wanneer aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.
De bewijslast blijft een essentieel aandachtspunt. De relevante fout, de geleden schade en het oorzakelijk verband moeten voldoende worden onderbouwd. Een rechtstreekse vordering biedt dan ook geen garantie op recuperatie van de openstaande schuldvordering.
Wanneer is een strafrechtelijke klacht aangewezen?
Naast burgerrechtelijke en faillissementsrechtelijke maatregelen kan een strafrechtelijk initiatief aangewezen zijn wanneer concrete aanwijzingen bestaan van opzettelijk frauduleus handelen. Mogelijke aandachtspunten zijn bijvoorbeeld het bewust verbergen of verduisteren van activa, het vervalsen of achterhouden van boekhoudkundige stukken of andere gedragingen die mogelijk onder een toepasselijke strafbepaling vallen.
Sinds 1 september 2026 is het nieuwe Strafwetboek in werking. Relevante misdrijven zijn onder meer bankbreuk, misbruik van vennootschapsgoederen (nu art. 476 Sw., vroeger art. 492bis), oplichting en valsheid in geschriften. Voor feiten van vóór 1 september 2026 blijft in beginsel het oude recht gelden, met toepassing van de mildste straf. Wanneer dergelijke aanwijzingen bestaan, kan de leverancier met zijn advocaat bespreken of een klacht bij de politie of het parket aangewezen is. Afhankelijk van de omstandigheden kan ook een klacht met burgerlijke partijstelling worden overwogen. Een strafrechtelijk onderzoek kan bijkomende feiten aan het licht brengen en bijdragen tot de bewijsvoering. Het biedt evenwel geen garantie op terugbetaling van de openstaande facturen. Een strafrechtelijke klacht vervangt bovendien niet de noodzaak om de schuldvordering correct aan te geven, de curator te informeren en eventuele burgerrechtelijke vorderingen tijdig te onderzoeken.
Verjaring en procedurele termijnen
Bij een mogelijk frauduleus faillissement kunnen verschillende juridische procedures naast elkaar bestaan. Elke vordering kan eigen voorwaarden, termijnen en regels inzake stuiting of schorsing van de verjaring hebben. Er bestaat bijgevolg geen enkele algemene verjaringstermijn die zonder onderscheid op alle mogelijke vorderingen van toepassing is.
De volgende aandachtspunten verdienen bijzondere aandacht:
| Type vordering | Juridisch aandachtspunt | |
|---|---|---|
| Aangifte van schuldvordering | De termijn vermeld in het faillissementsvonnis. Een laattijdige aangifte kan nog tot één jaar na het vonnis. | |
| Eigendomsvoorbehoud | Vervaltermijn tot de neerlegging van het eerste PV van verificatie (art. XX.194 WER). | |
| Vordering tegen bestuurders | In de regel 5 jaar vanaf de feiten of, bij opzettelijk verborgen feiten, vanaf de ontdekking (art. 2:143, §1 WVV). | |
| Contractuele vordering | Tegen de gefailleerde zelf: via de aangifte van schuldvordering. Tegen een derde met wie een contract bestaat: in de regel 10 jaar (art. 2262bis, §1 oud BW). | |
| Buitencontractuele aansprakelijkheid | In de regel 5 jaar vanaf de dag na kennis van de schade en van de aansprakelijke, met een absolute termijn van 20 jaar (art. 2262bis, §1 oud BW). Boek 6 BW bevat zelf geen verjaringsregels. | |
| Strafrechtelijke vordering | De burgerlijke vordering uit een misdrijf verjaart volgens het Burgerlijk Wetboek, maar niet vóór de strafvordering (art. 26 V.T.Sv.). |
Ga er niet van uit dat een ingebrekestelling of een brief aan de curator automatisch iedere verjaringstermijn stuit. Laat daarom zo snel mogelijk een afzonderlijke termijnberekening maken en neem, waar nodig, tijdig een juridisch geldige bewarende of stuitende maatregel.
Van vermoeden naar een juridisch onderbouwd dossier
Een doeltreffende aanpak begint met een gestructureerde inventarisatie van de feiten. Algemene vermoedens, gelijkaardige handelsactiviteiten of de betrokkenheid van dezelfde bestuurders volstaan doorgaans niet om fraude of aansprakelijkheid aan te tonen.
Een bruikbaar dossier bevat bij voorkeur:
Een chronologisch overzicht van de bestellingen, leveringen, facturen en betalingsachterstanden.
De communicatie over de financiële toestand van de klant en eventuele toezeggingen tot betaling.
Concrete aanwijzingen van overdrachten van activa of activiteiten.
Beschikbare informatie over de betrokken oude en nieuwe vennootschappen.
Een overzicht van de geleden schade en de openstaande schuldvordering.
Een overzicht van reeds ondernomen stappen en de toepasselijke procedurele termijnen.
Vervolgens kan de leverancier de relevante gegevens schriftelijk aan de curator bezorgen en juridisch advies inwinnen over de meest aangewezen vervolgstappen.
Daarbij moet telkens worden afgewogen welke juridische grondslag voldoende wordt ondersteund door de feiten, welke bewijsstukken nog ontbreken en of de mogelijke opbrengst van een procedure opweegt tegen de kosten en risico's ervan.
Besluit
Een faillissement betekent niet noodzakelijk dat een leverancier geen verdere juridische mogelijkheden meer heeft. Wanneer concrete aanwijzingen bestaan van verdachte transacties, onrechtmatige activaoverdrachten of handelingen die schuldeisers mogelijk hebben benadeeld, kunnen verschillende rechtsmiddelen worden onderzocht.
De eerste prioriteit blijft het vrijwaren van de schuldvordering en eventuele zakelijke rechten. Daarnaast kan een actieve en goed gedocumenteerde communicatie met de curator bijdragen tot het onderzoek naar verdachte transacties. Afhankelijk van de concrete feiten kunnen ook vorderingen tegen bestuurders, derden of strafrechtelijke initiatieven worden overwogen.
De haalbaarheid van dergelijke stappen hangt evenwel af van de toepasselijke wettelijke voorwaarden, de kwaliteit van het bewijs, de beschikbare financiële middelen en de naleving van de relevante termijnen.
Concreet: geef uw vordering tijdig aan, roep een eventueel eigendomsvoorbehoud binnen enkele weken in, bezorg de curator een gedocumenteerd overzicht van verdachte transacties en laat nagaan welke vorderingen tegen bestuurders of derden haalbaar zijn.
Dit artikel verscheen eerder op Jubel i.s.m. Confidenz Advocaten